Aan het Stadhouderlijk Hof ten tijde van stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz at bijna iedereen witbrood. Maar de turfdrager, schotelwasser en keukenjongen aten tarwebrood. Medelijden was niet nodig, want de armen moesten het met roggebrood doen. De stadhouder gebruikte eten en drinken niet alleen om te laten zien tot welke klasse hij behoorde, hij zette peren en wijn ook in als politiek wapen.




