Friesland was rond 1850-1880 de grootste producent van vlas in Nederland. De teelt ging niet zozeer om het gewas zelf, maar was voornamelijk bedoeld als werkverschaffing. Voor veel burgerlijke en kerkelijke gemeenten was het dé manier om arbeiders en hun gezinnen de winter door te helpen. De arbeidsomstandigheden in de zogenoemde braakhokken waren echter vaak ten hemel schreiend: kleine, zeer stoffige en ongezonde donkere hokken en schuurtjes waar arbeiders van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat werkten. Kreten als ‘zwaar, ongezond, hoesten, kuchen, stoflongen, brakerskoorts’ uit contemporaine verslagen en literatuur beschrijven het werk.




